24 juni 2012 “Ich hatte viel Bekümmernis” (BWV 21)

Michaëlscantate

Tijd: 16:30
Liturg: Ds. Ries Nieuwkoop
Uitvoerenden: Michaëlscantatekoor en orkest Musica Michaelis, o.l.v. Toon Hagen, Clara de Vries (sopraan), Govert Valkenburg (tenor) en Bert van de Wetering (bas).  
Deel I
[1] Sinfonia
[2] Koor: ‘Ich hatte viel Bekümmernis in meinem Herzen’
[3] Aria (sopraan): ‘Seufzer, Tränen, Kummer, Not’
[4] Recitatief (tenor): ‘ Wie hast du dich, mein Gott, In meiner Not’
[5] Aria (tenor): ‘ Bäche von gesalznen Zähren, Fluten rauschen stets einher’
[6] Koor: ‘Was betrübst du dich, meine Seele’

Deel II
[7] Recitatief (sopraan & bas): ‘Ach Jesu, meine Ruh’
[8] Aria/Duet (sopraan, bas): ‘Komm, mein Jesu, und erquicke’
[9] Koor: ‘Sei nun wieder zufrieden, meine Seele’
[10] Aria (tenor): ‘Erfreue dich, Seele, erfreue dich, Herze’
[11] Koor: ‘Das Lamm, das erwürget ist’

Toelichting
Naar aanleiding van het horen van deze vroege cantate komt Maarten ‘t Hart tot de verzuchting dat er aan Johann Sebastian Bach een groot operacomponist verloren is gegaan. ‘Waarom zou hij, terwijl hij graag naar opera’s van Hasse ging luisteren, nooit de aanvechting hebben gehad om een opera te componeren? Of had men hem gewoon een opdracht moeten geven?’

Die opdracht is Bach nooit gegeven, ook ongevraagd werd het hem zelf contractueel verboden zich eraan te bezondigen. Meer dan in andere cantates is wel aan te wijzen dat Bach muzikaal contact heeft met de muziek van zijn grootste tijdgenoten op dat gebied. Geven enkele melodische details niet aan dat de ‘Concertmeister’ uit Weimar Händels opera ‘Almira’ kende? Blijkt uit het slotkoor ‘Das Lamm, das erwürget ist’ met zijn feestelijke trompetpartij niet dat Bach keek naar techniek die Händel toepaste? Of is het andersom en grijpt Händel’s Messias op de muziek van dit koorstuk?
Vorm en techniek zijn tijdgebonden; de componisten van die tijd maakten daarvan gebruik, misschien wel zonder direct leentjebuur bij elkaar te spelen.

De eerste volledig uitvoering van dit werk vindt plaats in Weimar, het is 1714, Bach is nog maar kort als concertmeester aangesteld. De dichtstukken zijn waarschijnlijk van Salomo Franck. De bijbelse teksten refereren aan die van de derde zondag na Drievuldigheid. Overigens heeft Bach aangegeven dat deze cantate de bestemming in ‘ogni tempo’ (voor elk moment in het kerkelijk jaar) heeft.

De cantate wijkt af van andere werken uit dat jaar. Het is een tweedelige cantate en ze vormt een groot contrast met alle andere cantates die Bach heeft geschreven, zowel door vorm als karakter. Met een lengte van zo’n 45 minuten neemt BWV 21 bijna tweemaal zoveel tijd in beslag als gewoonlijk het geval is; zij is opgedeeld in twee delen, in de dienst onderbroken door de preek.

Met name in het eerste deel beschrijven tekst en muziek de pijn die wordt gevoeld in de ziel van het verloren schaap. De zondaar bejammert zijn lot met een tot driemaal toe aangeheven ‘Ich, Ich, Ich’, in de vorm waar Bach op zijn best is: de fuga. Het hierna volgende deel, sneller in tempo, houdt de stemming van pijn en treurnis vast. Dan volgt een korte sopraanaria met mooi melodisch, maar toch ook treurig materiaal. De motieven voor de tenoraria ontleent Bach dan aan het beeld van een ‘onophoudelijke tranenvloed’, dat overgaat in storm en golven die wild tekeergaan in een snel ‘allegro’. Een koraal beëindigt dit eerste deel van de cantate.

In het liefdesduet tussen Jezus (de bas) en de ziel (sopraan) van het tweede deel duet weerklinkt de omslag van berusting naar een enigszins opgewekt vertrouwen in God dat het verdere verloop van de cantate domineert. Het krachtige slotkoor — met trompetpartij — verbreedt het perspectief van de individuele ervaring naar het gevoel dat we er gelukkig niet alleen voor staan.